Waarom de zee zo zout is (3)

Catharina

Ik ben van de loopplank afgestapt en sta tot mijn knieën in het zoute water. Het zand glibbert door de ruimte tussen mijn gekromde tenen. Kras vliegt vlak boven mijn hoofd. Ik mag van hem niet verder de zee in. In de verte zie ik de boot van Job verdwijnen. De zwarte vogel landt op mijn hoofd.

Hij buigt zijn kop naar beneden en kijkt mij met een zwart glimoogje aan. Voorzichtig draai ik mij om met Kras op mijn hoofd. Mijn voeten zoeken houvast in het zand. De golven lijken mij tegen te houden terwijl ik op de loopplank klim. Nu de vissersboot uit mijn zicht verdwijnt, kan ik weer naar ons huis.

Kras vliegt vooruit en landt op een paal. Ik kijk hem aan. ‘Het maakt me soms verdrietig dat Job best wel alleen is’. Kras schudt zijn veren. ‘Ik ben er nu wel, maar dat is ook weer niet zo lang. Job is al oud.’ 

‘Job is ook jong geweest’, Kras tikt met zijn snavel op de houten paal. ‘En niet altijd alleen. Hij had een grote liefde, Catharina.’ Ik kijk naar de zwarte vogel op de paal. Dit verhaal ken ik niet. 

Kras schudt weer zijn veren en maakt zijn snavel schoon. Zo begint hij altijd met een verhaal. Ik stop een zilverkleurige streng haar in mijn mond. Dat doe ik altijd als hij vertelt.

‘Heel lang geleden, eh, nou er was eens een jonge, knappe visser die woonde op een klein eiland in de woeste grijze zee. Iedere dag viste hij zijn maaltje bij elkaar en bracht een deel van de buit naar het plaatsje verderop. In ruil ervoor kreeg hij van de dorpsbewoners aardappelen, meel of kleding.’ 

‘Job dus…’ 

Kras schudt met zijn veren alsof tien vliegen hem lastigvallen. 

‘Ja, natuurlijk is het Job. De bewoners van het plaatsje verderop keken altijd vol bewondering naar de mooie, jonge Job. Het viel niet mee om bijna iedere dag de wilde golven tussen zijn eiland en het plaatsje te bevaren. De stroming was daar sterker dan waar dan ook. Het maakte niet uit of het eiland nu dichtbij was gedreven of verder weg lag. Al scheen de zon en waaide het bijna niet, de golven kwamen vaak zo hoog als de meeuwen vliegen en de stroming was niet te voorspellen. Er waren maar weinig inwoners van het plaatsje die het aandurfden om naar het eiland van Job te varen. En dat durven ze nu nog steeds niet, dat weet je.’

Kras knipoogt. Ik bijt op mijn lip. Dat klopt. Er komt hier nooit een mens vanuit het plaatsje verderop.

‘Ook ging er een hardnekkig gerucht rond. Waar of niet, maar dat maakt meestal niet uit als je bang bent. Er zou een zeemonster wonen in het water tussen het eiland en het plaatsje. Dit monster zorgde met zijn grote lijf voor de enorme golven. Met zijn enorme staart maakte hij dat het water alle kanten op vloog. Zag het vreselijke beest een groot schip of een kleine vissersboot boven zich varen, dan gooide hij er nog een schepje bovenop. 

De belangrijkste man van het plaatsje verderop, Albertus, wist zeker dat het zeemonster ook wel een hapje mens lustte. Als een borrelnootje hapte hij zo af en toe een nietsvermoedende visser van het dek van een boot. De andere bewoners van het plaatsje rilden bij het idee en keken met een ernstig gezicht naar Albertus.

Job had honger en geen last van hoge golven of een stroming die zijn bootje alle kanten op liet gaan. Hij vloot zijn favoriete liedje en de zee werd kalm. Was hij voorbij het heftigste deel van de zee dan bedankte hij het zeemonster met een grote glimlach. Achter hem werden de golven weer ruig en onheilspellend, de stroming weer verraderlijk. Het zeemonster mocht Job wel.

Dat deed Catharina ook. Ze was verliefd op Job. Catharina was stoer en als ze lachte dan krijsten de meeuwen van plezier mee. Als ze zong, klonk haar stem helderder dan het zeewater tussen het eiland en het plaatsje verderop, waar ze woonde. Blond waren haar lange haren. Haar ogen schitterden in de zon.’

Ik haal de pluk zilverkleurig haar uit mijn mond en kijk erna. Niet blond. En stop deze weer terug tussen mijn kiezen. Kras vertelt verder. Zijn kraaloogjes kijken ver terug in de tijd. Het lijkt alsof hij niet meer vlak boven mij zit op de paal.

‘Catharina was de dochter van de plaatselijke bakker. Haar kleren roken naar versgebakken brood en haar wangen waren altijd donkerrood door de warme ovens. Als Job in het plaatsje kwam, keek ze door het raam van het kleine bakkerswinkeltje en haar ogen volgden hem zolang het kon. Als hij haar aankeek en glimlachte, kleurden haar wangen nog roder.

Nooit maakte Job een praatje met haar. Zij had nog maar een klein plekje in zijn hart. Daarom bleef ze binnen in de winkel en ging verder met het sorteren van de broden. Van groot naar klein. Haar liefde voor hem was onvoorwaardelijk. Hij mocht zijn wie hij was, ook als dat betekende dat hij haar niet zag met zijn hart. Job verdween vaak net zo snel als hij was gekomen. Iedere keer keek Catharina uit naar het moment dat hij langs de winkel liep, haar aankeek en er een glimlach op zijn gezicht verscheen.’

‘Wat een sufferd!’ Ik kijk naar de zee waar in de verte de boot van Job niet groter is dan een korrel zand. Kras schudt zijn kop heen en weer en vertelt verder.

‘Ach ja, sufferd. Catharina zag in Job iets, wat hij zelf nog niet zag. Hij was een jongeman geworden waar een meisje als Catharina van zou kunnen houden. Dat kan een tijdje duren, voor je dat beseft.

Dagen en weken gingen voorbij zoals het leven op eenzelfde manier kan voortkabbelen. Als een watervogel op de golven. Op een dag kwam Job niet, en erna nog een dag niet. Hij bracht al dagen geen vis meer en dat begon in het plaatsje op te vallen. De inwoners fluisterden en smoesden met elkaar en haalden hun schouders naar elkaar op. Al gauw gingen ze door alsof het een dag als alle andere dagen was.

Behalve Catharina. Voor haar was een dag zonder Job geen normale dag. Ze maakte zich zorgen. Het was niet normaal dat hij zo lang achter elkaar geen vis kwam brengen. Ze voelde steken in haar hart en sorteerde broden van klein naar groot in plaats van groot naar klein. Wanneer zou er weer en een dag zou komen die niet alleen normaal leek, maar ook normaal was. Een dag dat Job weer met vis zou komen. 

Catharina zuchtte diep en de vloer werd vaker gedweild dan nodig was. Ze liep vier keer per dag naar de haven om te kijken of ze het vissersbootje van Job aan zag komen, tevergeefs. Hoe langer ze staarde, hoe waziger het beeld werd. Met de bovenkant van haar hand veegde ze de tranen uit haar ogen. Door de wind belandden ze in de zee en ze dreven weg.’

‘Ik vind het helemaal geen leuk verhaal’. Mijn keel voelde dik en slikken ging moeilijk.

‘Nee, een verhaal is niet altijd vrolijk. Maar dat kan nog veranderen. Dat heb je met verhalen. Zoals ik al vertelde, Catharina werd hoe langer hoe bezorgder. Wat was er aan de hand? Het klopte niet dat Job zo lang niet kwam om vis te brengen. Ze miste zijn grijsblauwe ogen en zijn brede lach.

Na een paar onrustige nachten nam Catharina een besluit. Ze pakte haar vaders roeiboot en sleepte deze naar de haven. Nou denk je vast, een roeiboot en hoge zeegolven, dat gaat nooit goed. Dat klopt. Het was geen verstandig besluit, maar een besluit van haar hart. Catharina wilde naar Job. Al had ze moeten zwemmen. Maar zwemmen kon ze niet, wel roeien.

Zoals het vaker gaat met een onbezonnen besluit viel het roeien Catharina zwaar tegen. De golven waren hoog, de zee ruw, en het leek alsof ze geen meter vooruitkwam. Al was dat wel zo. Ze zweette en zwoegde en haar wangen waren roder dan ooit. De haven werd kleiner en het eiland van Job leek nog zo ver weg. Dreef het eiland weer verder weg van haar woonplaats? Wanhopig begon ze te huilen en haar tranen waaiden door de wind in de zee. ‘Job!’ riep ze wanhopig. ‘Job!’ Ze hoorde alleen haar eigen stem die maar nauwelijks boven het geruis van de golven uitkwam. 

Catharina legde haar hoofd op de roeispanen en sloot haar ogen. Hoe zou ze ooit het eiland van Job bereiken? En hoe kwam ze weer terug? Een roeiboot en de ruwe Zuiderzee, ze had het onderschat. Het geruis van de zee werd minder. Catharina voelde dat de golven niet zo hard meer tegen de boot aanklotsten. Voorzichtig tilde ze haar hoofd omhoog en keek naar de zee die opeens rustig was. Als een spiegel zo glad. Een vriendelijk briesje leek haar vooruit te willen duwen.’

Mijn ogen dwalen af naar de zee en ik zie het schuim van de golven opspatten tegen de palen die het eiland beschermen. ‘Dat is bijzonder …’ Alsof ik tegen mezelf praat. Kras knikt. Zijn snavel halfopen om verder te vertellen.

‘Ja, heel bijzonder. Catharina was ook blij verrast. Het leek of de zee haar een handje wilde helpen. Misschien helpt het zeemonster mij wel. Ze glimlachte en pakte haar roeispanen stevig vast. Het roeien leek als vanzelf te gaan. Ze begon er zelfs bij te zingen. Het eiland van Job, ons eiland, werd steeds groter.

Catharina maakte de roeiboot vast aan een paal in de haven en riep Job. De mensen van het eiland keken verbaasd op. Ze kreeg geen antwoord en riep hem nog eens, en nog eens. Waar was hij? Catharina keek om zich heen. Ze kende het eiland niet. Wat was het klein. Een jongetje wees naar een houten vissershuisje met een rood dak en keek Catharina verlegen aan. ‘Daar woont Job.’