Emily brönte

‘Often rebuked, yet always back returning’ (Vaak berispt, maar steeds terugkerend’) door Emily Brontë beschrijft de intentie om haar eigen pad te bewandelen, niet het pad dat de samenleving of haar omgeving voor haar heeft uitgestippeld.

Het gedicht begint met het beschrijven van een kant van haar persoonlijkheid die vaak wordt vergeten, maar steeds weer naar haar terugkeert.

De boodschap is dat genieten van het leven, lezen en leven in fantasieën, kiezen voor je eigen pad, helpen om frustraties en moeilijkheden van het leven te overwinnen.

De openingsregels wijzen in feite degenen af die haar hebben geadviseerd om ‘realistisch te blijven’ – zich te richten op de echte wereld van werk en onderwijs in plaats van de denkbeeldige wereld (de ‘idle dreams’ of ‘luie dromen’, zoals haar tegenstanders ze beschrijven) waarin ze zich als kind vaak verloor – het schrijven van haar verhalen. Ze keert naar die verhalen terug omdat ze trouw wil blijven aan haar natuur, haar ‘eerste gevoelens’ (‘first feelings’).

De eerste strofe eindigt echter met een dubbele punt, wat suggereert dat ze een nieuw idee introduceert. Hoewel ze haar tegenstanders meestal negeert en graag terugkeert naar de wereld van de verbeelding, gaat ze ‘vandaag’ die wereld afwijzen (het ‘schaduwachtige gebied’) dus ook.

Vandaag zal ik niet het schaduwachtige gebied opzoeken;

De ondraaglijke uitgestrektheid ervan wordt somber;

En opkomende visioenen, legioen na legioen,

Brengen de onwerkelijke wereld wel heel vreemd dichtbij.

Het illusoire leven dat ze heeft gecreëerd in haar verhalen is vandaag niet genoeg voor haar en heeft daarnaast zijn eigen saaiheid van herhaling, zoals ze aangeeft met de volgende ietwat sombere woorden: ‘ondraaglijke uitgestrektheid’ (als een woestijn) – ‘somber’ (troosteloos, leeg).

Het oproepen van de visioenen zorgen ervoor dat ze zich op dezelfde manier voelt over de wereld van de verbeelding als over de wereld van ‘rijkdom en kennis’ – die ze tot vandaag als minder echt (‘onwerkelijk’) heeft beschouwd dan haar denkbeeldige wereld.

Vandaag gaat ze ‘terug naar de natuur’ door een wandeling te maken, en ze laat alle ‘werelden’ achter zich. Haar vastberadenheid blijkt uit het plotselinge ‘Ik zal wandelen’.

Ik zal wandelen, maar niet ‘in de oude heroïsche sporen, en niet op paden van hoge moraliteit, en niet te midden van de half onderscheiden gezichten, de verduisterde vormen van lang vervlogen geschiedenis’.

Het pad dat ze zal nemen, zal niet het pad zijn dat ze volgt in haar denkbeeldige werelden, bevolkt door ridders en dames, koningen en koninginnen die levens van nobele inspanning leiden. Ze keert terug naar haar ‘wortels’.

Ik zal wandelen waar mijn eigen aard me naartoe zou leiden:

Het stoort me om een andere gids te kiezen:

Waar de grijze kuddes in varensrijke valleien grazen;

Waar de wilde wind waait op de zijkant van de berg.

De dichteres roept de natuur op die haar heel haar leven heeft ondersteund; ze heeft geen gids nodig om het te begrijpen. De alliteratie benadrukt haar passie voor de eenvoudige, natuurlijke wereld en haar gevoel dat ze één is met de schapen op de heuvels en de wind die erover waait.

Wat hebben die eenzame bergen te onthullen?

Meer glorie en meer verdriet dan ik kan vertellen:

De aarde die één menselijk hart tot gevoel kan brengen,

Kan beide werelden van Hemel en Hel in het middelpunt plaatsen.

De natuur (in de nadrukkelijke herhaling van ‘meer’) kan ons immers alles leren over triomf en falen – over ‘glorie en… verdriet’.

Als je hart ontvankelijk is, kan de kracht van de natuur zin geven aan de hele wereld en alles daarin.

Often rebuked, yet always back returning

By Emily Brontë

Often rebuked, yet always back returning
    To those first feelings that were born with me,
And leaving busy chase of wealth and learning
    For idle dreams of things which cannot be:

To-day, I will seek not the shadowy region;
    Its unsustaining vastness waxes drear;
And visions rising, legion after legion,
    Bring the unreal world too strangely near.

I’ll walk, but not in old heroic traces,
    And not in paths of high morality,
And not among the half-distinguished faces,
    The clouded forms of long-past history.

I’ll walk where my own nature would be leading:
    It vexes me to choose another guide:
Where the gray flocks in ferny glens are feeding;
    Where the wild wind blows on the mountain side.

What have those lonely mountains worth revealing?
    More glory and more grief than I can tell:
The earth that wakes one human heart to feeling
    Can centre both the worlds of Heaven and Hell.